Collectie-uitdieping ® Henk Schoenmakers
NL EN FR

Eugene Laermans / Edgard Tytgat / Marthe Wery / Joelle Tuerlinckx

Tijdens de collectie-uitdiepingen wil het MDD op zoek gaan naar de intrinsieke kwaliteiten van bepaalde kunstenaars die vertegenwoordigd zijn in de collectie. Met Eugène Laermans, Edgard Tytgat, Marthe Wéry en Joëlle Tuerlinckx werd gekozen voor vier generaties kunstenaars, allen afkomstig uit de streek van Brussel. Laermans kende al succes aan het eind van de negentiende eeuw, Tuerlinckx is pas de laatste tien jaren actief op een internationaal kunstplatform. Honderd jaar kunstgeschiedenis maakt uiteraard dat er grote sprongen zijn gemaakt in de benadering van kunst door de kunstenaar en de toeschouwer. Tegelijk zijn er parallellen, reflecties, contrasten die duidelijk worden bij de ‘confrontatie’ van verschillende oeuvres: kleurgebruik, omgang met de ruimte, humor, compositie, ... Alle vier hebben hun eigen betekenis in de Belgische kunstgeschiedenis, maar staan tegelijk op een authentieke manier een beetje haaks op de inlandse kunsttradities van hun tijd.

Voor deze tentoonstelling was Eugène Laermans (1864 – 1940) zowat het uitgangspunt. Samen met Constantin Meunier is hij een vertegenwoordiger van het Belgische realisme aan het einde van de negentiende eeuw, de oudste kunststroming aanwezig in de collectie van het MDD. Net door zijn realisme, zijn keuze van onderwerp en de recuperatie van zijn werk door de socialistische partij, wordt Eugène Laermans beschouwd als een sociaal-realist. Toch zijn er reeds vroeg een aantal auteurs die erop wijzen dat de betekenis van het werk van Laermans veel verder reikt dan een loutere reactie op de sociale realiteit. Door het spel van horizontale, verticale en diagonale lijnen, het evenwicht tussen doffe en heldere kleurtonen en de verhouding tussen de personages en de ruimte krijgen de werken hun waarde. Het liefst stelde hij een beweging van een volksmassa, een paar individuen of een enkeling voor. Zijn composities met grotere groepen van figuren bezitten een stuwende en tegelijk bevreemdende intensiteit en maken van Laermans een belangrijke figuur binnen de Belgische kunstgeschiedenis en een voorloper van het Vlaams expressionisme.

Naast de compositorische kracht van Laermans speelt de verhouding tussen de figuren onderling een bijzondere rol. Er lijkt vaak een ijzige, beangstigende stilte te overheersen in de relatie tussen de voorgestelde figuren. Die overheersende non-communicatie en de daaruit voortvloeiende achterdocht en dreiging in de expressie van de figuren wordt ‘veelzeggend’ wanneer men weet dat de kunstenaar sinds zijn elf jaar volledig doof was en dus amper nog tot communicatie toe in staat was. Toch is dit niet de algemene teneur in alle doeken. Sommige werken getuigen van een plezier in het spelen met motieven, met kleur, met beweging. Ook is er een zeker nieuwsgierig voyeurisme van de kunstenaar die zijn dorpsgenoten observeert tijdens hun gesprekken of geroddel, tijdens het nemen van een bad in de rivier, tijdens het feesten, …

Een zeker voyeurisme vinden we ook bij Edgard Tytgat (1879 – 1957) terug. In het werk van Tytgat blijkt steeds opnieuw zijn liefde voor de petites histoires en andere vrolijke details uit het dagelijkse leven. Zijn humor heeft veel perverse kantjes, maar wordt nooit wrang. Daarvoor is het te zelfrelativerend en getuigt het ontegensprekelijk van een ongelofelijke joie de vivre. Zelfs het kleurgebruik van Tytgat getuigt van een lichtheid, alsof niets nog afhankelijk is van de zwaartekracht. Hij is niet op zoek naar het sterke beeld of een grootsheid in zijn composities of verhoudingen. Tytgat gaat meestal heel intuïtief om met de ruimte waarbij het perspectief soms bijzonder eigenaardige bochten maakt. Terwijl Laermans in de eerste plaats werkte aan composities waar een constante spanning bestaat tussen beweging en verstilling, is Tytgat zonder twijfel veel meer een verteller in de traditie van Breughel. Een detail is vaak een heel verhaal. Het is zowel het verhaal van een geliefd interieur, van geliefde kleuren en motieven, van Oosterse harem – taferelen of van zondagse uitstapjes, van kermissen, circussen en musichalls.

Kleur en architectuur zijn de voornaamste elementen in het werk van Marthe Wéry (1930 – 2005). Beïnvloed door Malevitsj, Mondriaan en Barnett Newman maakte ze monochrome schilderijen. Hoewel de werken er minimalistisch uitzien, getuigen ze tegelijkertijd van een grote technische beheersing van het ambacht en een artisanale aandacht voor verfpigmenten. Door het spelen met licht en transparantie wordt haar werk nooit steriel. De panelen worden elementen van grote composities. Marthe Wéry behandelt de muur als een schilder zijn doek: elk gekleurd paneel is een ‘verftoets’ in de compositie. De installatie van haar werk in de tentoonstellingsruimte gaat zo een dialoog aan met de architectuur en met ander werk. Het resultaat is een intense – haast sacrale – beleving van kleur en ruimte.

Ook bij Joëlle Tuerlinckx (°1958 Brussel) speelt de (perceptie van de) tentoonstellingsruimte vaak een belangrijke rol. Het werk ‘NIEUWE PROJECTEN Nouveaux Projets D.D.’ van Joëlle Tuerlinckx werd in 1999 gerealiseerd naar aanleiding van haar tentoonstelling in het MDD. Voor de collectie-uitdieping wordt nu slechts een deel van dit werk geïnstalleerd. In haar werk exploreert Joëlle Tuerlinckx de geschiedenis van het museum, de verhoudingen van het gebouw, de beschrijvingen van de collectie, etc. Uiterst subjectieve, persoonlijke maatstaven liggen ten grondslag aan haar werken die een nietige indruk kunnen maken en waarin schijnbaar onbetekenende details tot onderwerp zijn verheven. Het resultaat dat we zien is slechts op te vatten als geconcretiseerde, gestolde momenten in een doorgaand artistiek proces.

De tentoonstelling liep van 17 december 2006 tot 04 februari 2007.
Voor meer info, zie tijdschrift Museum doorDacht 4.

d-artagnan | all for advertising